De tekst van het voorwoord uit dit boek kunt u hier lezen.

Het kritiekloos aanvaarden van wat gezegd werd en het blind varen op het kompas van de kerkelijke leiding was tot in de jaren vijftig van de vorige eeuw nog heel gebruikelijk in de rooms-katholieke kerk. Sterk was het geloof in het eigen gelijk, dat gepaard ging met een houding van triomfantelijk zelfbewustzijn.

Tussen 1950 en 1960, in de tijd van de wederopbouw na de tweede wereldoorlog, werd overal in ons land de wens tot vernieuwing op politiek en sociaal gebied hoorbaar. Dit liet ook het kerkvolk niet onberoerd. Ook in de kerk was vanuit de basis steeds nadrukkelijker een roep om vernieuwing gaan klinken. Als het startpunt van de emancipatie van de gelovige kan gezien worden de aankondiging van het tweede Vaticaans concilie op 25 januari 1959. Vanaf dat moment begon de katholieke kerk in Nederland langzaam in beweging te komen en begon de gelovige zich bewust te worden van zijn eigen verantwoordelijkheid. Tijdens het veranderingsproces binnen de kerk is er iets heel wezenlijks gewijzigd in de houding binnen de geloofsgemeenschap. De blik van de gelovigen is niet meer omhoog naar de hemel gericht maar horizontaal naar de wereld waarin men leeft. Het verblijf op aarde heeft een nieuwe betekenis voor ons gekregen. De aarde is een opdracht geworden. Dit betekent een omwenteling in denken en handelen. Begrippen als integriteit van de schepping, ontwikkelingshulp en respect voor andere culturen en godsdiensten zijn nieuwe sleutelwoorden. Men is niet meer overtuigd van het eigen gelijk maar relativerend, minder dogmatisch en met een accentverlegging van de kerkelijke leer naar de beleving van een christelijk ideaal. Velen zoeken de definitie van het christen-zijn thans vooral in de praktijk van het navolgen van Jezus van Nazareth, in de wijze waarop men probeert zijn eigen leven in te richten in overeenstemming met het voorbeeld dat hij gegeven heeft.
De vanzelfsprekendheid waarmee tot dusver gelovig werd geluisterd naar de stem vanuit Rome, is verdwenen. De tijd van probleemloos aanvaarden op gezag is voorbij. Daarvoor komt in de plaats een kritische opstelling. En als een mens eenmaal kritisch wordt, begint hij vragen te stellen en de ene vraag roept de andere op.
Bewust van eigen verantwoordelijkheid, wordt bij het nemen van beslissingen het eigen geweten leidraad voor het handelen. Het is mijzelf niet anders gegaan. Vanaf de tijd van het concilie, was voor mij geloven niet een vanzelf sprekende zaak meer. Onder de vele vragen die zich aandienden, wil ik een tweetal nader beschouwen:

Voor iemand met als achtergrond een wetenschappelijke opleiding in de exacte wetenschappen, blijft het onbegrijpelijk, dat het christelijk geloof nooit goed raad heeft geweten met problemen opgeworpen door wetenschappelijke ontdekkingen. In plaats van de confrontatie aan te gaan en te zoeken naar een aanpassing van de leer of naar een inpassing van nieuwe inzichten in de leer, heeft de kerk zich altijd teruggetrokken in een defensieve stelling. Het liefst deed men alsof er geen problemen waren door het bestaan ervan te ontkennen of  te negeren. Deze houding was er al in de tijd van Galilei toen de eerste confrontatie met de exacte wetenschappen plaats vond. Maar deze schermutseling is een bagatel vergeleken met de problemen die worden opgeroepen door de confrontatie met de evolutietheorie. Het hele bouwwerk van de erfzonde en de christelijke geloofsleer komt hierdoor ter discussie te staan. Deze houding van de kerk heeft veel kritiek opgeroepen en heeft vooral de intellectuelen onder de gelovigen uit de kerk gejaagd. Om mij heen zie ik mensen afhaken die zichzelf wel als gelovig beschouwen maar die niet meer willen praktiseren in een kerkelijke omgeving. Kritische intellectuelen zijn altijd voor lastige gelovigen aangezien en zijn dat meestal ook.

De historische Jezus is belangrijker geworden in het leven van een christen. Hem navolgen is het ideaal dat hem thans voor ogen staat. Maar de historische Jezus wordt niet meer gekend. Op het grensvlak van de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament staat deze Jezus van Nazareth. Behorend tot het Oude Testament, geboren uit joodse ouders en jood temidden van zijn landgenoten, wordt hij na zijn dood in het Nieuwe Testament vereerd als de verrezen Heer, Jezus Christus, de zoon van God. In een godsdienstige ontwikkeling die heeft plaats gevonden in een tijd met een voor ons vreemd mens- en wereldbeeld werd de historische Jezus weldra het middelpunt van een proces waarin hij geleidelijk van mens werd getransformeerd in een Godmens: mens en god tegelijk. Het is de Godmens Jezus Christus die centraal in de kerkelijke leer staat en ons in de prediking wordt voorgehouden. Maar realiseren wij ons, dat de eerste christenen joden waren die hun visie op Jahweh meebrachten vanuit hun joodse achtergrond, dan staan we voor een raadsel. In deze visie is geen plaats voor vermenselijking van Jahweh of voor vergoddelijking van een mens. Hoe is dan de vergoddelijking van Jezus te rijmen met dit gegeven? Is er feitelijk een breuk geweest in de geloofsopvatting tijdens het prille begin van de jonge religie of hebben wij niet geleerd hoe we kerkelijke leeruitspraken van vroeger moeten begrijpen? Misschien is het wel zo, dat wij, onbewust, gebeurtenissen van vroeger projecteren in onze eigen tijd.




J.J.A. Beenakker

Laat de echte Jezus opstaan

De  mythen  voorbij

Verslag van een persoonlijke zoektocht naar de grondslagen
van het christendom

verschenen in 2005 en op het internet te lezen via boek1

terug naar begin index
om vanuit een ons bekend begrippenarsenaal een interpretatie te geven. Een historicus zal dan zeggen dat dit wijst op het gemis aan historisch besef, want gebeurtenissen, uitspraken en beweringen hebben altijd een tijdgebonden karakter en kunnen alleen begrepen woorden vanuit een juist begrip van de omstandigheden uit die tijd.
Hier duikt dus een probleem op waarmee men wordt geconfronteerd als men wil begrijpen wat in vroegere tijden is opgetekend. Een historicus, en trouwens iedere onderzoeker die zich bezig houdt met zaken uit het verleden, heeft tijdens zijn opleiding geleerd uitermate voorzichtig te zijn bij het beoordelen van gebeurtenissen uit een andere tijd. Hij heeft geleerd bij het vormen van een oordeel rekening te houden met de omstandigheden uit dat verleden. Als hij feiten uit het verleden bestudeert, moet hij als het ware in de huid kruipen van mensen uit die tijd. Maar eenvoudig is dat natuurlijk niet. Natuurlijk mag men kritiek geven op wat vroeger gebeurd is, mag men met verbazing en verwondering kijken naar gebruiken, gebeurtenissen, uitspraken en overtuigingen uit vroegere tijden maar tegelijk moet men ook proberen deze te plaatsen in de omstandigheden uit die tijd. Deze instelling moet iedere onderzoeker hebben als hij zich waagt aan waardeoordelen over het verleden.
Wanneer oudere mensen verhalen vertellen over vroeger, dan staan we vaak vol verbazing en ongeloof als we horen over wat vroeger blijkbaar heel gewoon was. Nog niet zo lang geleden was het normaal voor een deftige mevrouw om boodschappen te doen met in haar kielzog een dienstmeisje vlak achter zich, gekleed in de duidelijke dracht van dienstbaarheid, een schortje over een dun jurkje, en dan kon het gebeuren, dat mevrouw warm gekleed was tegen het koude winterweer maar het arme kind in haar dun jurkje liep te blauwbekken. Hoe is dat toch mogelijk zullen wij zeggen. In onze tijd zou niemand zo iets accepteren en de dame in duidelijke bewoordingen laten merken, dat dit nu echt niet meer kan. Er zijn zo nog vele voorbeelden op te sommen. Maar denk niet dat mensen vroeger dus slechter waren dan wij nu, niet slechter maar wel anders. Men leefde in een andere tijd en dat proberen duidelijk te maken aan mensen van vandaag is de taak van onderzoekers.
Was de geschiedenis van het kerkelijke leven en de godsdienstige ontwikkeling in het verleden het studiedomein van kerkelijke bedienaren, thans hebben seculiere instellingen zich hiervan meester gemaakt. Alleen de zuivere theologie blijft het privilege van de kerk. De neiging tot weten, de drang naar waarheidsvinding is karakteristiek voor elke wetenschapper. Omdat ontwikkelingen binnen het christendom zich hebben afgespeeld in de zichtbare wereld van tijd en ruimte en er blijvende sporen in de geschiedenis zijn achtergelaten, hebben wetenschappers het spoor terug kunnen volgen om te ontdekken wat verborgen was in het duister van het verleden. Vooral in de laatste decennia is er baanbrekend werk verricht vanuit vele disciplines. Historici, sociologen, godsdienstwetenschappers, antropologen en beoefenaren van de archeologie en de natuurwetenschappen hebben hier hun sporen verdiend. Het onderzoek heeft veel informatie opgeleverd en inzicht gegeven in wat zich vroeger heeft afgespeeld maar het heeft tegelijk veel weerstanden opgeroepen. In hun onderzoek raken wetenschappers vaak tot aan de kern van het christelijk geloof en hebben zij vraagtekens en uitroeptekens geplaatst bij ontwikkelingen in de jonge kerk. Dit werd en wordt niet altijd door  kerkleiders op prijs gesteld.

Reeds lang geleden had ik mij al voorgenomen zelf een onderzoek te starten om een bevredigend antwoord te vinden op de vele vragen waarop de kerk tot dusver het antwoord schuldig is gebleven. Zo'n onderzoek betekent teruggaan naar het verleden tot aan de tijd van Jezus van Nazareth, leren begrijpen hoe de omstandigheden waren in die tijd en proberen inzicht te verkrijgen in de ontwikkeling die de jonge religie geleidelijk heeft ondergaan. Zo hopen we beter te begrijpen wat de oorzaken zijn van de problemen waarmee moderne mensen in onze tijd worden geconfronteerd.
Tijdens mijn onderzoek werd regelmatig de tijd genomen terug te blikken op de weg die reeds was afgelegd en daarbij ben ik steeds sterker tot de overtuiging gekomen, dat mijn kijk op het christendom blijvend veranderd is. Gaandeweg worden mijn conclusies steeds duidelijker geformuleerd. De lezer zal dit niet ontgaan. Ik hoop dat anderen die met dezelfde vragen worstelen, in dit boek iets zullen terugvinden van wat zij wel denken of vermoeden maar niet zelf onder woorden durven brengen.

Tot zover de tekst van het voorwoord van het eerste boek dat van mijn hand verscheen en na ruim tien jaar van intensieve studie in 2005 op de markt kwam. Deze tekst is daarna in 2007 in mijn persoonlijke website opgenomen.
olijfboom in het hof van Olijven of wat daarvan nog over is